Burgerbelangen Gemeente Emmen

Aan het college van B & W  te Emmen
vragen ex artikel 38 reglement van orde de raad van de gemeente Emmen.
vervolgvragen aangaande Westersebos Schoonebeek.

Aanleiding:

BGE was verrast door de vlotte reactie op haar vragen, maar kwam al gauw tot de conclusie dat de kwaliteit van de beantwoording helaas onder de haast heeft geleden.

De vragen zijn niet of niet volledig beantwoord.

Concrete vragen zijn ontweken door middel van lange uitwijdingen die voornamelijk interpretaties zijn van het College van wetten, regels, plannen en uitspraken.

Die interpretatie wijken af van de onze en die van Provinciale Staten.

Wat wel (o.a. met name door de beantwoording van de vragen van de heer Schoo DOP) is komen vast te staan:

Op de kavel Westersebos 26/28 rust volgens het College de gebruiksbestemming "Agrarisch", zoals die ook bestond onder het regiem van "Schoonebeek plan in hoofdzaak 1962", omdat er na de vernietiging door de Raad van State (nog) geen nieuw besluit is genomen door de Gemeente Emmen  De gemeente heeft de opdracht gekregen om hierover een nieuw besluit te nemen dat is tot op heden niet gebeurd.

Daarom geldt nog steeds de bestemming wonen op Westersebos 26/28.

Verder lijkt het College ongelimiteerd vrijstelling te willen kunnen verlenen van het bestemmingsplan als de economische belangen dat vereisen.

Het College heeft nimmer reden gezien om vrijstelling voor veel grotere omvang van het onderhavige agrarische bedrijf als het bestemmingsplan toestaat of bedoeld heeft, te weigeren in het belang van het behoud en herstel van natuurlijke-, cultuurhistorische en landschappelijke waarden en toerisme en recreatie.

Verplaatsing van het bedrijf zoals het bestemmingsplan en het POP suggereren is ook nooit aangemoedigd.

Het spreekt vanzelf dat BGE hierover een ander standpunt heeft en omdat ze en passant bij de beantwoording door het College wordt beticht van ongefundeerde beschuldigingen hieronder de feiten waarop BGE zich voorlopig baseert en vervolgens enkele (herhaalde) vragen omtrent gebleven onduidelijkheden.

De heren Hans (vader en zoon van dan plm 25 jaar) stellen beroep in bij de Raad van State tegen de bestemming "Wonen" op hun kavel Westerse bos 26 (en 28).

Zij betogen evenals in de gemeenteraad en bij de Provincie dat zij beschikken over een aardappelloods én een werktuigenberging op hun perceel en wensen daarom de bestemming "Agrarisch".

Zij niet en verder ook niemand betoogd dat er nog een agrarische bestemming zat op de kavel.

Aan de RvS worden foto's en tekeningen overlegd van een loods én werktuigenberging (met inhoud) in eigendom van en in gebruik bij  F. Ensing die naast Westersebos 26/28 zijn gelegen.

Geen aparte foto's worden overlegd van het bijgebouwtje bij Westersebos 26/28

De getoonde loods en berging zijn dan en thans, noch eigendom, noch in gebruik bij Hans c.s..

Het Westersebos 26/28 wordt op dat moment door twee gezinnen bewoond al of niet gesanctioneerd via art 19  

Het pand 26/28 met bijgebouwtje is dan nog geheel ingericht voor bewoning.

In de pleitnota"s en de uitspraak wordt duidelijk steeds gesproken over een aardappelloods èn berging en worden de foto's als basis van duidelijkheid genoemd.

Op de zitting verklaren verweerder(s) opeens dat de gemeenteraad (van Schoonebeek) een beoordelingsfout heeft gemaakt en ten onrechte uit is gegaan van burgerlijk gebruik.

Dit was overigens in strijd met hun visie ten tijde van de besluitvorming, immers zij besloten tot een woonbestemming, respectievelijk keurden dat besluit goed.

Strikt genomen is verweerder de Provincie maar er is ook een juridisch vertegenwoordiger namens de gemeenteraad aanwezig.

De Raad van State besluit dan dat er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding omdat er kennelijk sprake is van een legaal agrarisch gebruik van een aardappelloods én een werktuigenberging (ten onrechte beoordeeld zij die dan als onderdeel  van Westersebos 26/28) maar dat die bedrijfsgebouwen (in casu die van F. Ensing) volgens RvS moeten worden gevoegd bij Westersebos 7 en dat het daar niet moet leiden tot een bedrijfskavel van meer dan 10000 m2.

BGE beschikt inmiddels over (schriftelijke) verklaringen van betrokkenen waaruit blijkt dat Gemeente, Provincie en Raad van State in de veronderstelling verkeerden dat de loodsen van Ensing feitelijk onderdeel waren van Westersebos 26/28 en in gebruik bij de maatschap Hans in een omvang zoals die door de foto,s en plattegronden werd gesuggereerd.

Dat blijkt ook uit het verdere verloop van de procedures op Westersebos 7 waar de genoemde gebouwen steeds weer op tekeningen opduiken.

Hans cs. zijn niet consequent over die bedrijfsgebouwen.

BGE is van mening dat het de betrokken agrariërs Hans (als aanvrager) en Ensing

(als raadslid en buurman) niet kan zijn ontgaan dat er bij de genoemde instanties een verkeerde indruk bestond omtrent de genoemde gebouwen, maar zij corrigeerden dat op geen enkel moment.

De correcties werden aangebracht in de diverse procedures door de fam. Vrees/de Ruijter.

Die merkten ook op dat in de milieuvergunning de loods en berging opeens geen onderdeel van het bedrijf vormden.
Aangezien Hans c.s. voordeel hebben genoten van het misverstand en dit niet hebben gecorrigeerd zou er volgens BGE sprake kunnen zijn van een strafbaar feit zoals b.v. genoemd in artikel 227 wetb. v. strafr..

Of het op de weg van BGE ligt om hiervan aangifte te doen is een vraag waar wij ons tezijnertijd mee bezig gaan houden.

Dit geheel kan ook niet los worden gezien van het aanhoudende "gerommel" met de tekeningen en het keer op keer overtreden van de regels en het zonder vergunning bouwen en gebruiken van gebouwen op Westersebos 7 door Hans c.s..

BGE en de ambtenaren van de Provincie zijn van  mening dat op het bestemmingsplan  Westersebos van 1997 nog  wonen is op het pand 26/28

 BGE wil nog steeds de volgende vragen hebben beantwoord (we volgen de nummering van de vorige vragen):

1* Kan het College uitvoerig (juridisch) uit de doeken doen waarom dat kennelijk in haar visie niet juist is en wat gaat het College nog doen in de richting van de partijen Hans, Gemeenteraad en Provincie?

Het bestemmingsplan en het POP gaan ervan uit dat de bestaande bedrijven moeten kunnen blijven bestaan op de schaal zoals die is ten tijde van het van kracht worden en dat substantiële uitbreidingen en nieuwe vestigingen moeten worden tegengegaan en tevens moet hervestiging elders worden aangemoedigd en bevorderd om de bestaande waarden te beschermen.

Dwz de oude nederzetting de karakteristieke gebouwen en het karakteristieke (kleinschalige) landschap met o.a de wallen, slingerende klinkerweggetjes.

2* en 3* Acht het College haar beleid m.b.t. gezien de omvang van de maatschap Hans (die inmiddels 4 maten heeft en de aanvankelijke melkrundveehouderij heeft uitgebreid met een tak van akkerbouw en enig loonwerk) in lijn met die vastgestelde te beschermen waarden en wat heeft ze gedaan aan bevorderen van verplaatsing?

Bij voortgaande buitenplanse uitbreidingen van het onderhavige agrarische bedrijf worden ontegenzeggelijk de recreatiebedrijven van Vrees/de Ruijter (no. 5) en H. Ensing (no. 30) minder aantrekkelijk en zal dat wellicht invloed hebben op de bezettingsgraad en de waarde.

4* Is het College bereid deze ondernemingen bij voorbaat toe te zeggen dat zij in aanmerking komen voor planschadevergoeding en wil het College hun en ons toezeggen dit bij Hans cs. te zullen verhalen?

De nieuwe Amvb Landbouw milieubeheer staat ruimere vergunningsvrije mogelijkheden toe voor een Agrarisch bedrijf. Volgens BGE geld dit echter in een overgangsperiode niet voor bedrijven die al beschikken over een onherroepelijke milieuvergunning en bovendien geldt de Amvb ook niet in bepaalde beschermde omgevingen.

5* Kan het College nader aangeven waarom en van wanneer en op welke wijze de Amvb Landbouw milieubeheer op de bedrijfsactiviteiten van Hans cs. van toepassing wordt?

De gemeentelijke jurist aanwezig op de zitting van de Raad van State die heeft geleid tot de uitspraak van RvS E 01.97.0325 kan desgevraagd zich niet meer herinneren wat zijn rol is geweest toen de hiervoorgenoemde foto's aan de orde kwamen.

Er kwam toch een vermeende onzorgvuldigheid van de gemeenteraad aan het licht, die door hem toen niet is opgehelderd.

Ook het dossier is niet compleet aanwezig.

Onduidelijk is of en hoe de gemeenteraad achteraf is geïnformeerd over de uitspraak.

6* Vindt het College dat deze jurist op desondanks op adequate wijze heeft opgetreden om de belangen van de gemeenteraad te verdedigen?

Vindt het College de informatie aan de Raad en de dossiervorming adequaat en voldoende of zal zij verbetering nastreven?

Hiervoor heeft BGE onderbouwd waarom zij vindt dat er van misleiding sprake is.

7* Vindt het College in het algemeen dat verstrekken van onjuiste gegevens of zwijgen over de wetenschap van onjuist verstrekte gegevens laakbaar en strafbaar is en vindt zij dat in dit geval sprake is van laakbaarheid en/of strafbaarheid en zo ja van wie en zo nee waarom niet?

Nu wetende, dat er aan de hiervoor genoemde uitspraak onjuiste gegevens ten grondslag liggen:

8* Vindt het College dat GS opnieuw moeten beslissen na de genoemde uitspraak en moet die    beslissing een goedkeuring of een afkeuring van de bestemming wonen op Westersebos 26/28 zijn?

Gaat bij afkeuring het College van Emmen een nieuwe bestemmingsvoorstel voor de gemeenteraad voorbereiden?

Gaat het College van B en W die vervolgens weer ter goedkeuring voorleggen aan GS?

BGE heeft in de wandelgangen een ambtenaar de titel querulant en soortgelijk horen bezigen in verband met de door Vrees/de Ruijter aangespannen procedures.

9* Er van uit gaande dat dat vast staat, wat vindt het College van die kwalificatie in die richting en wat vindt het College zelf van de acties van Vrees/de Ruijter in relatie tot de te beschermen waarden in het bestemmingsplan? Schat het College dat positief of negatief in?

Wim Halm
BGE